Dood en leven in het Thomas Evangelie,

de opheldering van een misverstand

 

In het Nieuwe Testament wordt verteld dat Jezus mensen uit de dood opwekt. In de kerkelijke traditie van het christendom is meestal uitgelegd dat Jezus dan een wonder verricht door een lichamelijk dode weer tot lichamelijk levende te maken. Hij kan dat, zo werd verteld, omdat hij als God macht heeft over leven en dood.
Door studie van de oude gnostische teksten die werden gevonden bij Nag Hammadi en door ander historisch onderzoek wordt steeds duidelijker dat men dat ook heel anders kan verstaan en dat hier zelfs sprake is van een groot misverstand.
Het Evangelie van Thomas begintbijvoorbeeld met de volgende aanhef:

Dit zijn de geheime woorden die door Thomas de tweelingbroer werden opgeschreven.
En dan volgt meteen:
Iedereen die de verklaring van deze woorden ontdekt,
zal de dood niet smaken.

Wat wordt hier beloofd? Een eeuwig leven? Een leven dus na de lichamelijke dood? Zo lijkt het wel. Maar veel uitspraken in gnostieke teksten zijn dubbelzinnig, het zijn ‘geheime woorden’. Ze betekenen iets anders dan wat je zo op het eerste gezicht zou denken. Als we het hebben over 'dood' en 'leven' dan hebben die woorden een alledaagse betekenis. Maar de woorden 'dood' en 'leven' hebben in de gnostiek nog een andere betekenis. Maar die is ‘geheim’, in die zin dat hij anders is dan de alledaagse betekenis. Om die andere, symbolische betekenis gaat het in de gnostiek en dus ook in deze tekst uit het Evangelie van Thomas.

In onze tijd is er niemand meer die ons de symbolische betekenis van de geheime gnostische woorden kan leren kennen. We zullen die op enigerlei wijze zelf moeten reconstrueren.
Het intellectuele kennen van de symbolische betekenis van die schijnbaar alledaagse woorden is overigens nog niet het diepere verstaan waar het in gnostische om gaat, en waardoor de tekst werkelijk ‘levend’ wordt. De intellectuele ontsluiting van de symbolische betekenis kan ons echter wel op de weg daarheen zetten.

De wereld van 'horen zeggen'

Schatgravend naar de betekenis van de gnostische geheime woorden komen we welhaast vanzelf bij Kierkegaard.
Kierkegaard is de grondlegger van de existentie-filosofie. Hij leefde halverwege de 19de eeuw.
In een van zijn boeken vertelt hij een verhaal over een jochie dat aan zijn pappie vraagt of deze met hem wil gaan wandelen. Zijn vader heeft daar echter niet zo’n zin in, want buiten, in de wereld, kunnen er allerlei nare dingen gebeuren. Het waait heel hard en er zouden pannen van de daken kunnen vallen. Het is markt en net als vorige week zou er ruzie tussen de kooplieden kunnen ontstaan en daar zouden ze in verwikkeld kunnen raken en klappen krijgen. Er zouden ook paarden op hol kunnen slaan die hen zouden kunnen vertrappen.
Het is, kortom, buiten niet veilig.
De vader stelt daarom zijn zoontje voor om samen in de woonkamer te gaan wandelen. Dat doen ze. Ze lopen op en neer in de woonkamer. Tijdens die wandeling vertelt de vader over de wereld, over hoe het zou hebben kunnen zijn als ze echt naar buiten, de wereld in, waren gegaan. Hij vertelt over de dakpannen die van de daken waaien, de klappen die er op de markt vallen en wat er allemaal gebeurt als er paarden op hol slaan.
De andere dag vraagt het jochie opnieuw: ‘Pappie gaan we weer wandelen?’ Het is nu niet meer zijn bedoeling om naar buiten te gaan, maar om weer, zoals de vorige dag, lekker veilig in de woonkamer op en neer te lopen, waarbij pappie verdergaat met vertellen over de wereld. En dat doen ze. Ze gaan weer wandelen. In de woonkamer, gezellig bij de open haard.
En dat herhaalt zich voortaan elke dag. Zo leert het jochie de wereld kennen. Hij wordt deelgenoot in het verhaal dat pappie over de wereld vertelt.
In het verhaal van Kierkegaard wordt het jochie, later als volwassene, professor in de filosofie aan een universiteit. Hij kent immers de wereld! En als professor in de filosofie vertelt ook hij aan zijn leerlingen hoe het buiten in de wereld is. In de veilige collegezaal vertelt hij spannende verhalen over dakpannen, ruzies en paarden.
Aan het eind van het schooljaar moeten de studenten tentamen doen. De professor vraagt ze wat er zou kunnen gebeuren als ze naar buiten zouden gaan. Als ze dan precies alles kunnen navertellen, over op hun hoofd vallende dakpannen, over op hol slaande paarden en ruzie makende kooplieden, zijn ze geslaagd in het vak filosofie. Want ook zij hebben nu 'de wereld' leren kennen.

Kierkegaard schildert hiermee het verschil tussen onechte kennis en echte kennis. Echte kennis kun je alleen opdoen door naar buiten te gaan, door in-de-wereld te zijn.
Maar mensen kennen soms de wereld alleen van ‘horen zeggen’. Deze mensen zien het verhaal-over-de-wereld aan voor de wereld zelf. Ze nemen genoegen met de verhalen en willen of durven niet zelf ervaren hoe het is om in-de-wereld te zijn, om te existeren, zoals Kierkegaard dat voor het eerst noemde.
Diezelfde opvatting vinden we terug in het Evangelie van Thomas en andere gnostische teksten. Als daar over ‘de wereld’ gesproken wordt, dan is dat niet de echte werkelijkheid. Als men daar over ‘de wereld’ spreekt bedoelt men de verhalen van ‘horen zeggen’ over de wereld. Die wereld bestaat alleen als verhaal. Maar als je het verhaal aanziet voor de werkelijkheid zelf, als je in dat verhaal gaat wonen lsof het de werkelijkheid zelf is, dan is dat verhaal een spirituele gevangenis geworden.
Die wereld, de schijnwerkelijkheid, wordt in het Boek van Thomas een ‘lijk’ genoemd. In logion 56 staat:

Wie de wereld kent
heeft een lijk ontdekt,
en wie een lijk heeft ontdekt,-
hem is de wereld niet waardig.’

Deze teksten gaat erover dat de echte werkelijkheid, dat-wat-is, vervangen is door een illusie, een schijnwerkelijkheid. Dat is de wereld van ‘men zegt’ en ‘men vindt’. Kierkegaard heeft daarvoor de prachtige term voor bedacht: ‘het men’. Wie in de wereld van ‘het men’ leeft is, in de krasse taal van het evangelie van Thomas, ‘een dode’. Zo iemand vraagt zich alleen maar af wat ‘men’ er van zal zeggen, in plaats van zijn eigen ervaring van de werkelijkheid tot toetssteen van zijn existentie te maken. Zo iemand láát zich leven in plaats van zelf te leven. Zo iemand is niet zichzelf, maar leeft een beeld van zichzelf dat past in de wereld van 'het men'. Zo iemand zegt 'ik' tegen een schijnzelf.
En wie ontdekt dat deze schijnwereld inderdaad alleen maar dode schijn is, wie dus het lijk van de wereld heeft gevonden, die ontdekt daarmee ook het echte leven, en ‘hij zal de dood niet smaken’. Dat is het wakker worden voor de echte werkelijkheid, voor het zijn-in-de-wereld, of, zoals Het Evangelie van Thomas dat noemt: voor het binnengaan in het koninkrijk. De weg terug uit de schijnwerkelijkheid begint met de herontdekking van het eigen ware zelf dat shuilging onder het schijnzelf. Het ware zelf is de poort naar de alomvattende ware werkelijkheid.

Als in de verhalen van het Nieuwe Testament wordt verteld dat Jezus doden weer tot leven wekt, wordt daar in gnostieke zin mee bedoeld dat hij ze als leermeester helpt een ‘levend’ mens te worden, een mens dus die leeft vanuit de verbondenheid van zijn ware zelf met 'het Al', de omvattende ware werkelijkheid. Dat is de opstanding uit de dood in gnostische zin: 'Mens sta op en herinner jezelf'.
Dat is helemaal geen mirakel. En daar hoef je ook geen God voor te zijn. Dat kan ieder mens.

Een selectie van de logions uit het Thomas-evangelie over leven en dood vind je hier.

Dit is een pagina van de website www.thomasevangelie.info
________________________
De toelichting van Bram Moerland bij het Thomas evangelis is ook uitgegeven in boekvorm:
Bram Moerland
Het evangelie van Thomas
De gegevens zie je hier.