De betekenis van het Thomas evangelie

Hoewel het Thomas evangelie uit losse uitspraken van Jezus bestaat, zogenaamde ‘woorden van Jezus’, is er toch een duidelijke onderlinge samenhang. Er komen enkele voor Thomas kenmerkende thema’s aan bod, die keer op keer vanuit een andere optiek worden bezien.  Belangwekkend is dat die thema’s een andere Jezus en ook een andere boodschap tonen dan die gewoonlijk wordt gezien in de evangeliën uit het Nieuwe Testamant.

Wie is de Jezus van het Thomas evangelie?

In de eerste plaats willen we natuurlijk weten: wie is de Jezus van het Thomas evangelie? Dat is ook de vraag die Salomé stelt in logion 61 van het Thomas evangelie:
‘Mens, wie ben jij?’

Salomé geeft zelf al een voorlopig antwoord:
‘Het lijkt alsof je namens iemand komt.’

Het is voor haar net alsof hij niet zichzelf is, maar als een soort ambassadeur zichzelf wegcijfert om namens een superieur te spreken, namens God bijvoorbeeld, zoals de joodse profeten. Misschien is Jezus ook wel een profeet.
Maar Jezus maakt meteen duidelijk dat het zo niet is. Hij zegt:
‘Ik kom namens een gelijke.’
Een gelijke! Dat is nogal wat voor Joodse oren van die tijd.
Profeten zijn geen God, ze zijn niet Gods gelijke. Ze zijn van het goddelijke slechts een spreekbuis.
Deze Jezus is geen spreekbuis. Hij is wezensgelijk aan het goddelijke, zegt hij.
Nu zal dat voor traditionele christenen niet vreemd klinken. Natuurlijk, Jezus is zelf God. Zo staat het namelijk ook in de geloofsbelijdenis van Nicea:
‘Ware God uit ware God, één in wezen met de Vader’.
Dus tot zover is er wat Thomas betreft nog niets nieuws te melden.

Het werkelijk andere staat pas in logion 108. Jezus zegt daar:
‘Wie uit mijn mond drinkt zal zijn zoals ik en ik zoals hij.’
Kan het nog duidelijker?
Het zou al duidelijk genoeg zijn geweest als hij had gezegd ‘Wie uit mijn mond drinkt zal worden als ik’. Maar hij voegt daar nog eens ten overvloede aan toe: ‘En ik als hij.’
Je kunt dus als mens gelijk worden aan Jezus. En dat is precies wat deze Jezus wil. Die gelijkheid is de kern van de boodschap van het Thomas-evangelie.
Dat is een heel andere Jezus dan die waaraan we misschien gewend zijn geraakt. Of beter gezegd: als het beeld van hem waaraan we gewend waren geraakt in het christelijke westen. Deze Jezus is niet verheven boven de mensen. Hij wil dat mensen aan hem gelijk worden!
Dat is wat we daarom steeds voor ogen moeten houden als we Thomas lezen: alles wat Jezus over zichzelf zegt, geldt altijd ook voor elk van ons. Er is tussen Jezus en ons in wezen geen verschil.
Hoe treffend is in dit opzicht het antwoord van Jezus op een uitroep van Petrus in Johannes 13:8:
‘O nee,’ zei Petrus, ‘míjn voeten zult u niet wassen, nooit!’ Maar toen zei Jezus: ‘Als ik ze niet mag wassen, kun je niet bij mij horen.’
Wie Jezus boven zichzelf plaatst, zoals Petrus, maakt zichzelf daarmee ongelijk aan Jezus, en zal daardoor niet worden als Jezus en Jezus dus ook niet als hij.
Het is met andere woorden dezelfde betekenis als het antwoord van Jezus op een opmerking van Thomas in logion 13:
‘Meester, mijn mond staat mij niet toe te zeggen op wie je lijkt.’
Jezus zei: ‘Ik ben jouw meester niet.’

Je kunt veel van de Jezus van het Thomas evangelie leren. Hij is een leraar, zeker weten. Maar hij is niet wezenlijk anders dan jij en ik. Hij heeft als mens onder de mensen iets ontdekt, en hij wil ons laten weten dat wij diezelfde schat, die hij als mens gevonden heeft in zichzelf, ook allemaal met ons meedragen, niemand uitgezonderd.

In het kerkelijk christendom wordt gewoonlijk beleden dat Jezus twee naturen had. Hij was mens én God. Die twee naturen van Jezus waren een heftig twistpunt bij het concilie van Nicea in 325 waarbij de dogmatische grondtrekken van het kerkelijk christendom werden vastgelegd. Onder tegenstand van de monofysieten, zij die meenden dat Jezus alleen goddelijk, of alleen menselijk was, dus maar één natuur had, werd besloten dat Jezus zowel God als mens was, dus twee naturen had.
Thomas zou het daar helemaal mee eens geweest zijn, maar met dien verstande dat hetzelfde geldt voor iedereen, en niet alleen voor Jezus. Ook daarin zijn we als mens gelijk aan Jezus en hij aan ons.
De kern van de spirituele boodschap van het Thomas evangelie is dan ook dat elk mens, niemand uitgezonderd, diezelfde twee naturen heeft als Jezus, mens én God ineen.
Dat is toch wel heel anders dan in het niceense christendom.

Maar dat is niet alles. Het is niet genoeg dat te weten. Het gaat er om die twee naturen, mens en God, in onszelf één te maken, met elkaar te verbinden. Het Thomas evangelie roept op tot die eenwording in onszelf. Dat is de spirituele ontwikkelingsweg die Thomas schetst.

Iedereen is een Christus

In de gnostiek noemt men de goddelijke kern van de mens de Christusnatuur, of kortweg de Christus in ons. Elk van ons is een Christus, niet alleen Jezus.
Er is hier een grote verwantschap met het boeddhistische begrip 'Boeddhanatuur'. Elk mens, alle wezens en alle dingen hebben Boeddhanatuur, leert het boeddhisme. Het spirituele pad van het boeddhisme heeft als doel het bewustzijn van de individuele mens te verenigen met zijn eigen tijdloze Boeddhanatuur, die tegelijk ook de Boeddhanatuur is van de ganse werkelijkheid.
Ook in het hindoeïsme spreekt men over de twee naturen van de mens: Atman en Brahman. Atman is het persoonlijk zelf, Brahman het kosmisch zelf. Ook daar gaat het om het verwerven van het kosmisch bewustzijn, de vereniging met Brahman. In de Bhagavad Gita zegt Krishna (de goddelijke personificatie van Brahman) tegen Arjuna:
‘Ik ben het Zelf tronend in het hart van de mensen.’
In de gnostiek wordt hetzelfde gezegd over de Christus. Elk mens heeft Christusnatuur, elk mens is een Christus. Die overtuiging ligt ook ten grondslag aan het Thomas evangelie.

In het Nieuwe Testament wordt verteld dat Jezus door Johannes de Doper in de Jordaan gedoopt werd. Op dat moment, zo gaat de vertelling, daalt de Heilige Geest op hem neer. We zijn gewend geraakt, want zo is ons dat geleerd, om die vertelling te lezen als het verslag van een historische gebeurtenis. Maar als we willen proberen het Thomas evangelie te verstaan moeten we op een heel andere manier leren lezen: ‘Wie oren heeft die hore’, zegt ook het Nieuwe Testament voortdurend. We moeten de geheime woorden leren verstaan, betekent dat. En als we dat hebben geleerd, horen we ook in de voor velen zo vertrouwde teksten uit het Nieuwe Testament een heel ander verhaal.
De Jordaan bijvoorbeeld staat hier symbool voor de stroom van het zijn, ‘het levende water’ dat voortvloeit uit de oerbron van het leven, de Bron van alle zijn. De historische mens Jezus wordt in dit verhaal symbolisch met zijn persoonlijke natuur ondergedompeld in de oerstroom van het leven, en ervaart op dat moment zijn tijdloze Christusbewustzijn. Hij is een Christus geworden en zal voortaan zijn discipelen leren hoe ook zij een Christus kunnen worden, dat wil zeggen, zich bewust worden van de Christusnatuur die reeds in hen, en in alle mensen, aanwezig is. En zijn discipelen kunnen op hun beurt die blijde boodschap weer doorvertellen, aan iedereen die het maar horen wil.

Overigens moet men zich de Christusnatuur van de mens niet voorstellen als een ding, als een op zichzelf staand object, zoals men wel denkt over de ziel van de mens, alsof de ziel op zichzelf los zou kunnen bestaan van het lichaam.
De ervaring van de persoonlijke natuur van de mens en van de Christusnatuur dient men te verstaan als verschillende toestanden van het ene bewustzijn. De persoonlijke natuur ervaren we als we ons bewustzijn richten op ons tijdelijk bestaan tussen de lichamelijke geboorte en dood. De Christusnatuur is een andere toestand van het bewustzijn waarin we onszelf ervaren als deel van het geheel, als deel van ‘het Al’ zegt de gnostiek dan.

Het probleem dat men in de gnostiek schetst is dat we ons gewoonlijk alleen identificeren met ons tijdelijk bestaan, met onze persoonlijke natuur. Dan zijn we, door die bewustzijnsvernauwing, afgescheiden van onze christusnatuur. Die herkennen en ervaren we dan niet.
Het menselijk bewustzijn kan echter geopend worden voor die grotere dimensie in onszelf. Het leren ervaren van die grotere bewustzijnsdimensie is van veel spirituele tradities de aangeboden persoonlijke ontwikkelingsweg, ook van de gnostiek, ook van Thomas.
Dat kan zelfs leiden tot een ervaring zoals beschreven in logion 77:
’Jezus zei:
Ik ben het licht dat over het Al schijnt.
Ik ben het Al.
Uit mij kwam het Al voort,
en naar mij strekte het Al zich uit.
Klief een stuk hout en daar ben ik,
til een steen op en daar zul je mij vinden.’

Ook dat slaat dus niet alleen op Jezus; deze ervaring is de universeel menselijke mogelijkheid van het ervaren van het eenheidsbewustzijn, waarbij het bewustzijn van de individuele  mens niet meer begrensd is door de identificatie met het persoonlijke, tijdelijke bestaan, maar dat volledig overstijgt. Men leze ook de toelichting bij logion 111.

Nu zijn er spirituele tradities die helemaal mikken op dat transpersoonlijke bewustzijn, alsof het alleen daar om zou gaan, en alsof we alles wat met ons tijdelijk bestaan te maken zou hebben moeten loslaten en zelfs verachten.
Het bijzondere van Thomas is dat het oproept tot de vereniging van die twee. Het doel van het spirituele pad van Thomas is dus niet het loslaten van alles wat met ons lichamelijk en tijdelijke bestaan te maken zou hebben, maar de vereniging daarvan met het tijdloze en allosomvattende Christusbewustzijn.
In Thomas is het opheffen van de afgescheidenheid van de persoonlijke natuur en de Christusnatuur het spirituele doel.
Jezus zelf zegt daar in logion 89 nogal laconiek over:
’Waarom reinig je de buitenkant van de beker?
Besef je dan niet dat de pottenbakker die de binnenkant maakte
ook de buitenkant schiep?’

De twee één maken

Jezus zegt in logion 106:
’Als jullie de twee één maakt,
zul je een zoon van de mens worden.’

Het woord ‘mensenzoon’, komt in het Nieuwe Testament alleen bij Matteüs voor. Volgens Matteüs is Jezus die Mensenzoon, hij en alleen hij. En dat is ook de gebruikelijke betekenis die wij gewoonlijk aan dat woord geven.
Maar hier in Thomas staat dus dat wij allemaal een zoon van de mens kunnen worden. En dat we daartoe de twee één moeten maken. De twee één maken slaat op de hierboven genoemde twee naturen van de mens, onze persoonlijke natuur en onze Christusnatuur. Hier staat dus dat we pas echt volledig mens ziijn als we die twee naturen in onszelf verenigen, mens én god ineen.
Het heet elders in Thomas dat we dan een ‘eenling’ zijn. Dat woord eenling dien je dan te verstaan als ‘een heel mens.’ Je kunt ook zeggen: ‘een mens uit één stuk.’

Het is in verband hiermee interessant te bedenken wat de oorspronkelijke betekenis is van het woord individu. Individu komt van in=niet en dividere=verdelen. Dus een in-dividu is een niet-verdeeld mens, een heel mens. En dat is ook de oorspronkelijke betekenis van het woord monnik, dat afgeleid is van monachos. Ook monnik betekent oorspronkelijk: eenling. Het is uiterst curieus dat juist het woord monnik in de kerkelijke traditie is komen te staan voor onderling niet te onderscheiden personen - gelijke monniken, gelijke kappen - terwijl de oorspronkelijke betekenis daarvan juist wijst op het unieke van elk individu afzonderlijk.

De mens kan dus de eenheid herstellen tussen de persoonlijke natuur en de Christusnatuur, waar die verbroken was en zo een eenling worden.
Maar het is niet alleen de breuk tussen de twee naturen van de mens die geheeld dient te worden. Thomas gaat in logion 22 nog veel verder:
’Wanneer je de twee één hebt gemaakt,
wanneer je de binnenkant maakt als de buitenkant
en de buitenkant als de binnenkant
en het bovenste als het onderste,
en wanneer je het mannelijke en het vrouwelijke één maakt,
zodat het mannelijke niet meer mannelijk is
en het vrouwelijke niet vrouwelijk, (...)
dan zul je binnengaan in het koninkrijk.’

In het eenheidsbewustzijn vallen alle tegenstellingen weg. De verschillen zijn er nog wel, het mannelijke en het vrouwelijke bijvoorbeeld is er ook dan nog steeds, maar het zijn geen van elkaar gescheiden opposities meer. De geheel verschillende eigenheden van al wat is, elk met zijn specifieke shoonheid en betekenis, blijken alle, juist in hun onderlinge verscheidenheid, een expressie van dat allesomvattende Ene in een oneindige vormenrijkdom: alle verscheidenheid vloeit als het ‘levende water’ uit die ene Bron voort.
En dat besef is de basis van de liefde: al het andere is ook het Ene. Ik ben ook dat Ene en daarom is de ander ook mijzelf. Op het niveau van het christusbewustzijn is de medemens slechts een andere vorm van mijzelf: jij bent mij in een andere vorm. De pijn en de vreugde van alle medeschepseslen zijn ook mijn pijn en vreugde.
Dat is de bijna letterlijke betekenis van de opdracht van Jezus uit ht Nieuwe Testament ‘Heb God lief boven alles en uw naaste als uzelf’. Het plaatsen van God boven alles verwijst naar het eenheidsbewustzijn, God als het bewustzijn van het Ene. Daaruit volgt als geheel vanzelfsprekend de liefde voor de naaste alsof jijzelf die ander was. Die naastenliefde is dan niet slechts een moreel gebod, maar ook een onontkoombaar ervaringsgegeven.

Zo gij niet wordt als kinderen....

Een zeer verrassend logion is 107. Dat gaat over een schaap dat de kudde verlaat. Dat verhaal kennen we al uit het Nieuwe Testament. Daar zoekt de herder het verdwaalde schaap op en brengt het terug naar de kudde. Hij is de Goede Herder, symbool van God die niet aflatend trouw over al zijn schaapjes waakt.
Matteüs noemt het verloren schaap:
‘een van de geringen waarvan God niet wil dat deze verloren gaat.’
Volgens Lucas is het
‘een zondaar die tot inkeer is gekomen.’
Bij Matteüs en Lucas doet het schaap iets dat niet deugt. Maar het is desondanks welkom bij God.

Maar Thomas vertelt dat heel anders.
Om te beginnen zegt Thomas dat het desbetreffende schaap ‘de grootste’ was, dus niet ‘een geringe’ zoals bij Matteüs, en al helemaal geen zondaar zoals bij Lucas.
Ook in Thomas zoekt de herder het schaap op. Maar dan...
De kudde telde honderd schapen en de herder zegt tegen het weggelopen schaap:
‘Jij telt voor mij meer dan die negenennegentig.’
En dat was het. Geheel anders dan bij Matteüs en Lucas wordt het schaap niet teruggebracht naar de kudde. Dat is bij Thomas duidelijk niet de moraal van het verhaal.

We stuiten hiermee op een heel belangrijk thema uit Thomas. Dat gaat over het verlaten van de kudde en dat dat goed is.
Hetzelfde thema zien we ook in logion 4. Dat luidt zo:
‘Jezus zei:
Een man, oud van dagen, zal niet aarzelen
om een klein kind van zeven dagen oud,
te vragen naar de plaats van het leven,
en hij zal leven.’

Waarom die vraag stellen aan een kind van zeven dagen oud?
We moeten we bedenken dat Jezus sprak tot joden. In de joodse samenleving was het gebruikelijk jongetjes op de achtste dag na hun geboorte te besnijden. In het Oude Testament staat:
‘Al uw mannelijke kinderen moeten als ze acht dagen oud zijn besneden worden. Iedere onbesnedene moet uit zijn stam verwijderd worden.’ (Genesis 17:12)

Maar in logion 4 zegt Jezus dus dat een onbesneden kind nog de plaats van het leven kent, juist omdat het niet besneden is! Dat is werkelijk radicaal anders.
De besnijdenis is namelijk niet alleen lichamelijk een ingrijpende gebeurtenis. Er gebeurt meer. Na de besnijdenis valt de identiteit van het kind niet meer met zichzelf samen. Het wordt lid van een stam en krijgt de identiteit van ‘een besnedene.’
Vanaf de besnijdenis behoort het kind tot de collectiviteit van de besnedenen.
Daarmee wordt de kiem gelegd voor de vervreemding van het kind van zichzelf.
Op de dag vóór de besnijdenis is het kind nog zichzelf. Het heeft nog geen identiteit gekregen van de collectiviteit, van ‘buiten’, van ‘de wereld.’ Daarom weet het nog ‘de plaats van het leven’.
Maar als ‘besnedene’ valt het kind niet meer met zichzelf samen, het wordt door zijn identificatie met een sociale identiteit een onwetende over zichzelf. Het ‘oorspronkelijk gelaat’ van het kind raakt na de besnijdenis verborgen achter het masker van de sociale identiteit.

Thomas zegt dus dat we weer moeten worden als het kind van vóór de besnijdenis.
Ook in het Nieuwe Testament werd verteld dat je moet worden als een kind. Daarover lezen we in Mattheüs 18:2-4:
‘Hij (Jezus) riep een kind bij zich en zette het midden in de kring. Ik verzeker jullie, zei hij, het hemelse koninkrijk kom je alleen binnen als je van gezindheid verandert en wordt als kinderen. De belangrijkste in het hemelse koninkrijk is dus hij die zich zo onbelangrijk vindt als dit kind.’

Worden als een kind wordt door Matteüs uitgelegd als ‘jezelf onbelangrijk achten.’ Jezelf onbelangrijk achten noemt hij zelfs als voorwaarde om toe te kunnen treden tot het koninkrijk. Het is dezelfde geringschattende aanduiding als die van het weggelopen schaap dat door Matteüs ‘een van de geringen’ wordt genoemd.
Maar bij Thomas betekent ‘worden als een kind’ wederom iets heel anders. Het betekent dat je je sociaal masker aflegt en jezelf toont in je ware aard. Het betekent ook dat je de moed verzamelt om de kudde, de collectiviteit te verlaten en je eigen, individuele bestemming te volgen.

En waarom is dat belangrijk? Met je sociale masker ben je deel van de kudde. Met je ware zelf ben je deel van de werkelijkheid. En alleen als je ware zelf kun je je verenigen met je Christusnatuur.
In logion 4 geldt de besnijdenis als het symbool van het sociale masker, je lidmaatschap van de kudde.
Achter het sociale masker kunnen we ons ware zelf ontdekken en dat leidt ons weer naar het ‘oorspronkelijk gelaat’, waarvan logion 84 zegt:
‘Als je je oorspronkelijk gelaat ziet
dat al bestond voor jij er was,
en dat niet sterft, noch ontstaat,
hoeveel vreugde zul je dan ervaren!’

Je ware zelf is een gelaat van de Bron van alle zijn. Met je ware zelf ben je deel van de tijdloze eeuwigheid, het Al.

Dochtertje van Jaïrus

In Marcus 5:35-43 lezen we het volgende:
‘Nog voor hij uitgesproken was, kwamen enkele mensen tegen de leider van de synagoge zeggen: ‘Uw dochter is gestorven, waarom valt u de meester nog lastig?’  36 Maar Jezus hoorde dat en zei tegen de leider van de synagoge: ‘Wees niet bang, maar blijf geloven.’  37 Hij stond niemand toe om met hem mee te gaan, behalve Petrus, Jakobus en Johannes, de broer van Jakobus.  38 Ze kwamen bij het huis van de leider van de synagoge en zagen daar een groep mensen die luid stonden te huilen en te weeklagen.  39 Hij ging naar binnen en zei tegen hen: ‘Waarom maken jullie zo’n misbaar en huilen jullie? Het kind is niet gestorven, het slaapt.’  40 Ze lachten hem uit. Maar hij stuurde hen allemaal naar buiten en ging met de vader en moeder van het kind en de leerlingen die bij hem waren de kamer van het kind binnen.  41 Hij pakte de hand van het kind vast en zei tegen haar: ‘Talita koem!’ In onze taal betekent dat: ‘Meisje, ik zeg je, sta op!’  42 Meteen stond het meisje op en begon heen en weer te lopen. Ze was twaalf jaar. Iedereen was met stomheid geslagen.  43 Hij drukte hun op het hart dat niemand dit te weten mocht komen, en zei dat ze haar te eten moesten geven.’

Probeer deze tekst nu eens niet te lezen als het verslag van een feitelijke gebeurtenis, als een wonder dus, maar als pure symboliek over de terugkeer door de leider van de synagoge naar het kind in hemzelf, als zijn eigen opstanding uit de spiirituele dood. Het kind in de leider van de synagoge was gestorven. Maar Jezus zegt dat het kind in hem alleen maar slaapt.
Het woord ‘slaap’ is - naast ‘leven’ en ‘dood’- nog zo’n typisch symboolwoord uit de gnostiek. Met de slaap, hier dus van het dochtertje van Jaïrus, wordt de staat van onwetendheid van het ware zelf aangeduid.
Ook de woorden ‘een groep mensen,’ ‘buiten’ en ‘binnen’ zijn in dit verhaal symboolwoorden. Ze betekenen hetzelfde als 'de kudde' bij dat logion over het schaap. 'Buiten zijn’ betekent: met je identiteit opgaan in een menigte, een groep, een kudde, een collectiviteit. Je identiteit komt dan van buiten jezelf. Om het kind in jezelf te vinden moet je de groep verlaten en ‘naar binnen gaan’ in 'de kamer van het kind' in jezelf.
Jezus vraagt aan de duivel in Marcus 5:9: ‘Wat is je naam?’ En hij antwoordde: ‘Legioen is mijn naam, want we zijn met velen.’ Heel symbolisch!
Opmerkelijk is natuurlijk ook dat Jezus de getuigen van deze opwekking op het hart drukt dat niemand dit te weten mocht komen. Dat zou voor een letterlijke gebeurtenis wel heel vreemd zijn,  want er stond ‘een menigte’ buiten. Dus ook daaruit blijkt dat het hier gaat om iets anders dan een fysieke dood. En dat ook 'buiten staan' slaat op figuurlijke buitenstaanders.

Enig kind van een weduwe

Het is fascinerend om niet alleen het Thomas evangelie, maar ook de teksten uit het Nieuwe Testament op deze manier te leren verstaan. Zo kunnen we ook nog eens opnieuw kijken naar de volgende tekst:
‘Toen Jezus een stad naderde kwam er een begrafenisstoet de stadspoort uit. Het enige kind van een weduwe was gestorven. Jezus werd bewogen door het verdriet van de moeder. Hij raakte de baar aan waarop het dode kind gedragen werd en hij sprak: ‘Kind, ik zeg u, sta op!’ Het dode kind ging overeind zitten en begon te spreken.’ (Lucas 7:11)

Ook deze tekst zit vol van gnostische symboolwoorden voor ‘wie oren heeft om te horen’.
De stad is hier symbool voor ‘de menigte’, de kudde. Wil het dode kind in jezelf weer tot leven gewekt worden dat moet het eerst ‘de stad’ uitgedragen worden.
Een vrouw is in de gnostiek vaak het symbool voor de persoonlijke natuur, of de ziel van de mens. Een weduwe is in die symboliek een ziel die niet meer verbonden, gehuwd is met de eigen Christus. Van zo iemand is het innerlijke kind gestorven. Het is een enig kind, zegt deze tekst, want elk innerlijk kind is enig. In die enigheid staat het los van de ‘de menigte’. Ieders innerlijke kind is een eniggeboren kind van God, als een uniek en onvervangbaar wezen.

De bewogenheid van het hart, de liefde, is het helende aspect van de mens. Liefde geneest en wekt tot leven. Jezus wordt bewogen door het verdriet van de weduwe. Als de baar waarop het dode kind ligt wordt aangeraakt door Jezus vanuit die bewogenheid, vanuit zijn oprechte liefde, wordt het innerlijke kind van de weduwe uit de dood opgewekt. De liefde overwint hier de dood van het innerlijke kind.
En als het kind dan begint te spreken, spreekt het de taal van Pinksteren, die van het hart, die door alle mensen over de hele wereld verstaan kan worden, besneden of niet.
Nu het kind van de weduwe weer leeft, kan deze ziel, de vrouw, weer huwen met de innerlijke Christus.

Het ontwaken uit de slaap van de onwetendheid, de opstanding uit de dood van het innerlijke kind, de hereniging met de Christus in ons, dat is de weg van het Thomas evangelie, van ‘buiten’ naar ‘binnen’, van ‘velen’ naar unieke ‘eenlingen.’

Het koninkrijk

Naar de Joodse overtuiging was ooit het land Kanaän het beloofde land. Dat land van melk en honing was beloofd door Mozes, namens de Heer, aan het Jooodse volk. Maar dat liep in de praktijk anders. Ramp na ramp voltrok zich. Dat was het gevolg, zo legt het Oude Testament steeds uit, van de weerspannigheid van het Joodse volk. En de brandende toorn van God werd uitgelegd als de terechte straf op hun zonden.

De oudtestamentische droom van geborgenheid, ondergebracht in het idee van het beloofde land, kreeg een geheel nieuwe inhoud ten gevolge van de Babylonische ballingschap. Toen, ongeveer 600 voor Christus, werd het Joodse volk door buurland Babylonië veroverd. Dat leidde tot een ontmoeting met de leer van Zarathustra.
Die ontmoeting bood een mogelijkheid tot herformulering van het basisidee van het beloofde land.
Zarathustra voorspelde een kosmische strijd tussen de machten van de Duisternis en van het Licht. Aan het eind der tijden zou er volgens hem een laatste veldslag plaatsvinden en in die eindstrijd zou het Licht overwinnen. Het kwaad zal dan uit de schepping zijn verdwenen.
Dat idee van een eindstrijd en het herstel van een gelukzalige samenleving vinden we vervolgens in het oudtestamentische verhaal van Daniël, waarvan wordt verteld dat hij een van de joodse ballingen was die een tijdlang in Babylon had verbleven. Er zal aan het eind der tijden, lezen we in het bijbelboek Daniël, na veel strijd een nieuw koninkrijk komen. Dan zullen alle mensen die ooit geleefd hebben en gestorven zijn, uit de dood opgewekt worden en, samen met de dan levenden, voor een rechtbank verschijnen die een eeuwig oordeel over hen zal vellen:
‘Velen van hen die rusten in het dodenrijk zullen ontwaken, sommigen om altijd te leven, anderen om voor altijd te worden veracht en verafschuwd.’ (Daniël 12:2)

En dan begint het eeuwige koninkrijk van de vrede:
‘Dan zal er voorgoed een eind komen aan een leven van zonde, ongerechtigheid en misdaden. Dan zal er voor altijd gerechtigheid zijn. Wat de profeten hebben gezien zal dan werkelijkheid worden.’ (Daniël 9-24)
Met die laatste zin zegt Daniël: het beloofde land dat Mozes en de andere profeten vóór mij hebben voorspeld, dat is, bij nader inzien, het koninkrijk aan het eind der tijden.

In de tijd dat Jezus in Jeruzalem verbleef was de verwachting van een eeuwigdurend oordeel aan het eind der tijden een vanzelfsprekend onderdeel geworden van het joodse geloof, zoals dat ook nu nog het geval is. Er heerste toen zelfs de verwachting dat de eindtijd nabij was. In het Nieuwe Testament wordt daar veelvuldig over gesproken.
In Thomas 113 stellen de leerlingen daarom aan Jezus de vraag:
‘Wanneer zal het koninkrijk komen?’
Die vraag aan Jezus was voor die tijd uiterst actueel. Kennelijk dachten de leerlingen van Jezus dat hij misschien wel een profeet was. Ze mochten dan van hem verwachten dat hij, zoals de profeten vóór hem, de tekenen zou voorspellen waaraan men zal kunnen herkennen dat de eindtijd nabij is.
In zijn antwoord op de vraag naar de komst van het koninkrijk zegt Jezus echter:
‘Het koninkrijk komt niet door het te verwachten.
Je kunt niet zeggen: ‘Het is hier’, of ‘Het is daar’,
nee, het koninkrijk is uitgespreid over de aarde,
maar de mensen zien het niet.’


Dat is voor die tijd, en misschien wel voor alle tijden, werkelijk een revolutionair antwoord. Hiermee wordt een volstrekt nieuwe zienswijze gepresenteerd. Dit antwoord maakt Jezus uniek.
Het koninkrijk is dus niet ergens op aarde, zegt Jezus, zoals het door Mozes beloofde land, het is ook niet in de toekomst, zoals het door Daniël voorspelde koninkrijk aan het eind der tijden. Het is ook niet in de hemel na de dood, zoals later het evangelie van Johannes zal beloven. Nee, het koninkrijk is overal, hier en nu.
Als dat zo is, waarom zijn we dan nu nog niet in het koninkrijk?
Het probleem schuilt hem in de blindheid van de mensen, want ‘ze zien het niet.’
Ook in andere uitspraken wijst Jezus op de aanwezigheid in het hier en nu van het koninkrijk. Thomas 51:
‘Zijn leerlingen vroegen hem:
Wanneer zullen de doden rust vinden
en wanneer zal de nieuwe aarde komen?
Hij zei hun:
Wat je nog verwacht is al gekomen,
maar je herkent het niet.’

Ook deze vraag is passend voor mensen die geloven in een eindtijd waarin de doden uit het dodenrijk zullen opstaan en er een ‘nieuwe aarde’ zal komen.
Opnieuw geeft de Jezus van het Thomas Evangelie echter als antwoord: ‘Wat je verwacht is er al; het probleem is dat je het niet herkent’.
Het koninkrijk is geen plek op aarde waar je heen kunt reizen; je hoeft je ook niet voor te bereiden op een moment in de toekomst, aan het eind der tijden of na de dood. Het is er nu al. Als je het koninkrijk wilt zien moet je jezelf veranderen, je moet het koninkrijk in jezelf zoeken. Je moet van je blindheid genezen worden.
De neiging om het koninkrijk ergens, waar dan ook, buiten het hier en nu te plaatsen wordt met humor geschilderd in Thomas 3:
‘Jezus zei:
Als jullie voorgangers zeggen:
Zie, het koninkrijk is in de hemel,
dan zullen vogels je voorgaan.
Wanneer zij zeggen:
Het is in de zee,
dan zullen vissen je voorgaan.’


Er zit een dubbele bodem in deze humor. De fascinerende betekenis van deze uitspraak is dat de wereld een spiegel is van je innerlijke gesteldheid. Als je denkt dat het koninkrijk ver af is, in de hemel of in de zee, dan ís dat ook zo. Dat is de essentie van spirituele blindheid. Wie meent dat het koninkrijk voor hem of haar niet is weggelegd heeft gelijk. Want door die gedachte plaats je jezelf erbuiten.
Door jezelf zondig te achten, zoals het volk Israël, kom je terecht in een wereld van goddelijke toorn en wraak. De wrekende Jahweh is het spiegelbeeld van de angstige mens die zichzelf schuldig acht aan het leed in de wereld.
Maar hetzelfde geldt voor het koninkrijk. Als je de fundamentele goedheid in jezelf realiseert, zul je een andere wereld om je heen ervaren (Thomas 3):
‘Maar, het koninkrijk is in je hart én in je oog.
Als je jezelf kent, dan zul je ook gekend worden,
en je zult beseffen dat je afstamt van de levende Vader.
Maar ken je jezelf niet, dan verkeer je in armoede.
Je bént zelf armoede.’

Nee, dat betekent niet dat de wereld dan plotseling verandert in een paradijs. En er komt ook geen verborgen werkelijkheid tevoorschijn vanachter de alledaagse verschijnselen. Het koninkrijk is niet ergens buiten jou.
Het koninkrijk, dan ben je zelf.

––––––––
De toelichting van Bram Moerland bij het Thomas evangelis is ook uitgegeven in boekvorm:
Bram Moerland
Het evangelie van Thomas
De gegevens zie je hier.

Parallellen in de Bijbel en andere teksten vindt men op de website
www.thomasevangelie.info